Leon Krier

(Bouw 14/15 1991)

stad, architectuur, geweten.Onlangs werd in de Amsterdamse Nieuwe Kerk een tentoonstelling[1] gehouden over Luxemburg, ingericht door de uit dat land afkomstige architect Leon Krier.Krier is bekend geworden door zijn werk bij James Stirling en zijn latere, 'classicistische' werk; enige tijd terug kwam hij in het nieuws door zijn rol als adviseur van Prince Charles.Gemakshalve wordt zijn werk in Nederland als regressief afgedaan: dat Krier algemener en radicale standpunten inneemt is nauwelijks bekend.

Leon Krier, Rob Krier
Leon Krier, geboren in 1946, is een jongere broer van Rob Krier. Leon werkt met Rob samen wanneer deze in München studeert: het werk van le Corbusier saat centraal. Wanneer Rob na zijn studie in 1964 in Stuttgart gaat werken voor Frei Otto, gaat Leon hem achterna. Hij laat zich inschrijven voor de architectuuropleiding zodat ze beiden nog aan architectuurprijsvragen mee kunnen doen. Leon Kriers ontwerpprojecten worden echter afgewezen; hij schrijft hierop een manifest en behoort met een handjevol andere studenten al snel tot de 'studentenbeweging'. Zijn academische carrière zou al met al drie maanden duren.
Krier stuurt daarop zijn projecten naar James Stirling, en deze vraagt hem meteen te komen. Zo vlucht Leon Krier, 22 jaar oud, naar Engeland en word -in tegenstelling tot broer Rob- een 'self taught' architect die het vak op een architectenburo heeft geleerd.

James Stirling
In de jaren dat Leon Krier op het buro van Stirling werkt, is hij als ontwerper medeverantwoordelijk voor enkele grote projecten en doet hij research en lay out voor het eerste overzichtsboek van Stirlings oeuvre. Voor deze uitgave maakt hij een enorme hoeveelheid presentatietekeningen en levert hiermee een belangrijke bijdrage aan het sinds de tachtiger jaren hernieuwde zelfvertrouwen van de Nauwgezette Architectuur Tekening[2].
Tussendoor doet Krier zelfstandig mee aan prijsvragen en begint aan eigen publikaties. Kriers eigen werk krijgt meer en meer een stedebouwkundig karakter: het herwinnen van kwaliteiten in de stad is niet alleen een architectonisch probleem, maar eerder een ruimtelijk-politiek probleem. Enerzijds rafelt de moderne planning de stad uiteen in levenloze woon- werk- en centrumgebieden, anderzijds halen moderne bouwtechnieken de eenheid uiteen tussen konstruktie en architectonische uitdrukking. De moderne stad kenmerkt zich door onbenoembare, ongevormde ruimtes; de moderne architectuur kenmerkt zich door fineerdunne pastiche of betekenisloos effectbejag.
In de loop der tijd groeien er tussen Stirling en Krier problemen: Krier wordt niet meer als projectarchitect genoemd. Kriers receptie van Stirlings ontwerpen -klassieke types, 'verzacht' door eigentijdse materialen, beeldcitaten en constructies- buigt meer en meer om. Aan de ene kant wordt een links theoretisch kader geformuleerd waarbinnen de ontwerper moet proberen te werken aan structurele verbeteringen van het stedelijk milieu: ruimtelijk, sociaal en economisch. Aan de andere kant wordt 'ontwerponderzoek' gedaan om los te komen van de retoriek van het moderne idioom. Zijn project voor La Villette (1976) is het eerste konkrete project, waarin een hele wijk op alle aspekten is doorontworpen met een nadruk op de rijkdom aan openbare (buiten)ruimtes.
Het plan voor de Reconstructie van Luxemburg (1978) is het eerste uitgerijpte project waarin een eenheid is gesmeed tussen de stellingname van de architect tav stedebouw, architectuur en presentatie. De beeldentaal van Stirling is verlaten: 'moderne' beeldcitaten komen niet meer voor. Centraal staat hierbij de kritische rol van het plan: het plan als 'tegenproject' voor de officiële, desastreuze moderne planning. Het gebied waar de regering Luxemburg wil uitbreiden tot hoofdstad van Europa dreigt te worden volgezet met protserige kantoren en Krier stelt voor dit gebied tot nieuw stadsdeel te verdichten, als volwaardig onderdeel van een monumentale, polycentrische stad. Het plan laat Kriers vaardigheid zien om een monumentale stad te plannen met een zekere vanzelfsprekendheid binnen de beperkte mogelijkheden die de bestaande bebouwing en topografie biedt. Tegelijkertijd publiceert hij in een artikel fotoos die een beeld geven van de dubbelhartigheid van moderne architecten in Luxemburg: ze bouwen lelijke moderne dozen in het stadscentrum, maar wonen zelf in schilderachtige buitenhuizen[3]. Krier werkt voor dit project nauw samen met Maurice Culot uit Brussel.

Résistance Anti Industrielle
Maurice Culot sticht in de binnenstad van Bruxelles een architectuuropleiding, La Cambre. In de zeventiger jaren koppelt Culot de opleiding aan ARAU: een samenwerkingsverband van een groep intellektuelen die de samenwerkende buurtorganisaties van Brussel steunen in hun strijd tegen sanering. De studenten werken aan hun ontwerpen als tegenprojecten: een politiek alternatief wordt als plan gebracht. Daarbij is het belangrijk dat het plan wervend wordt gepresenteerd naar bewoners en pers toe. Met wisselend succes nemen de studenten van La Cambre theorie, maar ook tekenwijze, beeldrepertoire en terminologie van Krier over. Kriers werk vermengt zich er met het Belgisch striptekentalent. Verzet tegen industrialisatie en de specificiteit van de Europese steden zijn de termen waarmee men zich vrij kan pleiten van de moderne architectuurtrends uit Amerika en de failliete erfenis van de twintiger jaren.
Omgekeerd publiceert Krier heel regelmatig in AAM, het tijdschrift dat uitgegeven wordt op La Cambre door les Archives d'Architecture Moderne. Deze stichting archiveert en beheert in België architectuurdocumenten; eromheen is inmiddels een fonds ontstaan dat een hele reeks tentoonstellingen en publicaties het licht laat zien. Ook hiervan is Culot de motor. De opleiding zal in de tachtiger jaren door de regering van Brussel worden beknot: Culot wordt ontslagen, het examen wordt niet erkend en de school moet sluiten. Culot wordt daarop benoemd tot directeur van het nieuwe Institut Français d'Architecture en begint in Frankrijk een nieuw en inmiddels omvangrijk fonds publikaties.

Cities within a City
Het plan voor Luxemburg wordt gevolgd door een hele reeks min of meer spectaculaire plannen die eigenlijk allemaal eenzelfde beweringen doen. De stad opgevat als polycentrische stad: een idee dat Krier voor het eerst voor de Roma Interrotta tentoonstelling uitwerkt op basis van de Italiaanse tradities. Later volgen plannen voor Berlijn-Tegel, Södermalm-Stockholm, Teerhof-Bremen, Washington DC, Spitalfields-London.
Al deze plannen werken aan alternatieven voor de moderne planning. Moderne stedebouw bracht zonering en zonering heeft een onbeheersbaar probleem veroorzaakt ten aanzien van vervoer, openbare orde en grondgebruik. Krier pleit voor polycentrische steden, afgestemd op loopafstanden en elk voorzien van eigen woon- werk- en recreatieve voorzieningen. Steden met een demarcatie van stad en platteland, van benoembare openbare ruimten, benoembare gebouwtypen en decentrale besluitvorming: zonder shopping centres, kantoortorens, penthouses, pretparken of urban villaas.

a Vision of Britain
Voor de IBA prijsvraag voor Tegel, Berlijn ontwikkelt Krier in 1980 een nieuw bebouwingstype: in plaats van het klassieke gesloten bouwblok wordt een
bebouwing voorgesteld waarbij het bouwblok is opgelost in losse gebouwen rond een besloten hof. Dit "Insula Tegeliensis" is een doorontwikkeling van een blok dat Krier met Culot voor een eerdere IBA prijsvraag indiende. Een lossere verhouding tussen stedebouwkundige configuratie en bebouwingstype -blokverkaveling maar geen blokbebouwing- volgt ook voor laagbouw. In 1983 maakt Krier een plan voor Poing Nord, een nieuwe stad bij München. Dit plan, gemaakt in opdracht van een projectontwikkelaar, voorziet in een nieuwe stad met een eigen voorzieningennivo, inclusief twee kerken. Het plan sluit aan bij ontwikkelingen in de markt waarbij hogere eisen worden gesteld dan in het gangbare suburbia. Krier maakt een betrekkelijk vrij stedebouwkundig plan rond een tweetal pleinen en stelt er een 'ongeregelde' losse bebouwing voor om een morfologie te zoeken die in een stedelijker beeld resulteert. Bebouwing van erfgrenzen met muren en schuurtjes zijn hierbij essentiëel. Het plan voor Atlantis, een cultureel vakantiedorp op Tenerife, kent eenzelfde vrijheid van bebouwing en verkavelingstype maar dan binnen een rustiek beeld.
Toen Charles, the Prince of Wales de treurige architectenpraktijk van Groot Brittanië de spiegel voorhield werd duidelijk dat een voorbeeld gesteld moest worden. De Prins, zakelijk als Hij is, stelde voor een deel van Zijn grondgebied te ontwikkelen rond Poundbury, in Dorchester. Krier werd door Hem gevraagd hiervoor een plan te ontwikkelen. In het plan voor Poundbury kombineert Krier zijn vaardigheid om zeer grote ensembles met een zekere vanzelfsprekendheid op elkaar te laten aansluiten met de bebouwingstypes die voor Poing-Nord zijn ontwikkeld. Er wordt gemikt op een bebouwing die als vanzelfsprekend onderdeel gaat uitmaken van het Engelse landschap van dorpen en steden; er wordt goeddeels gewerkt met plaatselijke architecten.

Architectuur als architectenprobleem
Een gebouw dat op een vliegtuig lijkt is niet raar; een vliegtuig dat op een gebouw lijkt is wel raar. Krier houdt de architecten deze voorbeelden voor om de verkniptheid te laten zien tussen bouwtechnische produktiemogelijkheden en architectonische uitdrukkingswil. Toch mag van moderne architecten een gebouw bijna overal op lijken behalve op een gebouw met zuiltjes. De architect zou zich volgens Krier moeten beperken tot de kunst van de architectonische discipline en in de historie zijn daarvoor de ankerplaatsen te vinden. Zo'n 'traditioneel' beeld is voor een woonhuis alleen echt en maakbaar wanneer met traditionele materialen wordt gewerkt. Immers alleen dan ontsnapt een ontwerp aan de pastiche waarmee postmoderne kantoren en supermarkten worden aangezet. De vele tekortkomingen in moderne bouwtechnieken en de enorme onderhoudskosten die hiermee gemoeid zijn zijn dan ook voor Krier aanleiding er telkens weer op te wijzen.
Voor de gebouwtypes wijst Krier voortdurend op empirische waarheden in de architectuur: een huis is een huis en een kind of willekeurige passant tekent een huis als een huis met een kap. Dat empirische huis is een in de loop der tijd uitontwikkeld type: zoals het sheddak dat is voor een industriehal en een doos met vier wielen voor een auto.
Krier wijst ook op de geborneerdheid van moderne architecten en hun critici: zij amuseren elkaar met modernistische dozen en halen gezamenlijk de neus op voor de smaak van het publiek. Modernistische architectuur is dan ook niet in eerste instantie een publiek probleem: dat houdt er toch niet van. Het is een probleem voor de moderne architecten sinds Giedions bende. Krier staat daarbij een pluralisme voor: laat klassieke en modernistische architectuur naast elkaar bestaan, dan zien we wel wie er wint. Juist dat pluralisme heeft Prince Charles in Groot Brittanië afgedwongen.

 

Citaten:
*gesprek eisenman-krier citaat
*outline for a charta [1]"Imago Luxemburgi", Nieuwe Kerk Amsterdam. 11-30 juni 1991.
[2] James Stirling, Buildings and Projects, 1950-1974. Oxford 1974.
[3]Later zou Krier dit herhalen voor Berlijn en London.